Een klassieke brainstorm helpt bij het genereren van nieuwe ideeën. Hieronder de stappen die u doorloopt.
- Kies drie tot vijf vraagstukken die u in stap 1 tijdens de Brainstorm hebt voorbereid.
(Bepaal de onderwerpen voor de brainstorm. Het aantal onderwerpen moet gelijk zijn aan het aantal deelnemers. Formuleer de onderwerpen kort en concreet als open vraag. Begin de vragen met ‘Kun je’ of ‘hoe kunnen we’. Bijvoorbeeld: hoe bereiken we klanten in wijk X?)
- Presenteer één vraagstuk aan de gehele groep. Schrijf dit bovenaan een groot vel papier (bijvoorbeeld een flipovervel)
- Vraag of ze individueel ideeën willen opschrijven op Post-it memo’s. Laat hen voor ieder idee een nieuw blaadje gebruiken en zorg dat ze deze met een dikke stift opschrijven (want dat dwingt tot kort en bondig opschrijven in enkele steekwoorden).
- Plak de ideeën meteen op het flipovervel, terwijl de deelnemers doorgaan met ideeën opschrijven. Zie erop toe dat er geen onderlinge discussie ontstaat.
- Ga hiermee door totdat het vel vol is of totdat er geen ideeën meer komen (maar moedig ze aan het vel vol te krijgen).
- Als het flipovervel vol is, hang deze dan aan de muur. Presenteer het volgende vraagstuk en laat de groep op dezelfde manier weer ideeën genereren.
- Vraag of er bij de deelnemers nog nieuwe ideeën zijn opgekomen. Voeg deze toe aan de flipovervellen.
- Kijk samen met de deelnemers of het mogelijk is om de ideeën op de verschillende vellen te groeperen. Zijn er verbanden te ontdekken? Zo ja, rangschik dan de ideeën opnieuw op andere vellen, waarbij u een gemeenschappelijke noemer geeft aan ideeën die bij elkaar passen.